Typical British breakfast

Inmiddels loop ik dus al weer flink achter met mijn vakantielogjes. Maar hier volgt dan de vierde dag en de andere dagen komen er snel achter aan. De vierde dag begonnen we in de Hackney City Farm, de lokale kinderboerderij. Want daar kun je heerlijk Brits ontbijten,met sausages, bacon, tomaten, paddestoelen en roerei.

Altijd een uitstekend begin van de dag, waar je zelfs een groot deel van de dag mee door kunt komen.

Toren van Christ Church College

Zaterdag was de dag van het uitstapje (hoewel Londen op zich natuurlijk ook al een uitstapje was). En het uitstapje bracht ons naar Oxford, beroemd van universiteit en inspecteur Morse.

Oxford, stad met zo’n 150.000 inwoners. Zusterstad van Leiden, ontstaan ergens in de 8e eeuw. Een eeuwenoude stad dus, vol met prachtige oude gebouwen. Stad der “dromerige spitsen”, wiens naam hetzelfde betekent als Coevorden (leuk weetje om indruk me te maken – is een doorwaadbare plaats voor ossen en koeien). Zie ook de kopfoto.

Dag twee gingen we besteden aan het werk van eega’s oudste zoon Jochem, die als product designer in Londen werkt. En zo zaten we even na tienen al weer in bus 55 richting City om als eerste een galerie te bezoeken aan de Brompton Road, net iets verder dan het grote winkelpand van Harrods. Helaas was de galerie op dit ‘vroege’ uur nog gesloten, zodat er niets te bewonderen viel.

Toen maar door naar het Science Museum, dat even verderop om de hoek ligt. Jochem heeft daar meegewerkt aan de vormgeving van de tentoonstelling “Who Am I“. Hij ontwierp o.a. de houders en steuntjes in de tentoonstellingskasten, maar ook de tekstbordjes en het poppetje, wat in diverse uitingen weer naar voren komt.

Afgelopen zondag was de grote zaal op de eerste verdieping van De Lakenhal weer het toneel van een Leidse Salon, een ‘talkshow’ over de Leidse cultuur. Onno Blom, wiens boek ‘Stad van Verf’ juist was uitgekomen, trad weer op als gastheer van een divers gezelschap en waarbij hij muzikale hulp kreeg van de onovertroffen slagwerker Han Bennink. Die ook achteloos liet zien dat je met je tanden en je wangen kunt drummen.

Het is al weer bijna een week geleden, toen het weer eens duidelijk werd dat er altijd iets te doen is in Leiden. Want in het kader van de Cum Laude concerten kon je op Tweede Pinksterdag naar muziek luisteren in de Leidse hofjes. En dat zijn mooie hofjes, dat kan ik u verzekeren.

Het eerste hofje op HW’s tocht was het Bethlehemhof op het Levendaal.

Voor het eerst dit jaar had ik bedacht dat ik wel weer eens recht had op een paar vrije dagen. Geen mooiere gelegenheid dan na de dag der Bevrijding daar eens twee dagen aan vast te plakken. Dat betekende in mijn gedachten vijf, jawel VIJF vrije dagen achter elkaar. En ik wilde die dagen vooral gebruiken om weer eens wat cultuur op te snuiven. Dat moest ik dan wel alleen doen, want Eega heeft aanzienlijk minder vrije dagen dan ik heb. Maar Eega bleek al vanaf het begin van de week ziek, verkouden, koortsig, komt waarschijnlijk door de herfst. Maar goed, ik ging maar eens naar Rotterdam. Juist op de dag dat Feyenoord tegen Ajax moest spelen.

A.L. Snijders opent met een column

Ik weet het, ik weet het, mea culpa, mea culpa. Een blog is om met enige regelmaat te vullen en ja, mijn regelmaat is er wel maar wel met zeer grote tussenpauzes. En telkens neem ik mij voor om daar iets aan te veranderen, maar dan lukt het weer niet. Dan weer dit, dan weer dat…..

Daarom even een snelle update over het verleden. Dinsdag 20 april waren de HW en eega uitgenodigd om de uitreiking van de Bob den Uylprijs bij te wonen. Deze prijs wordt elk jaar uitgereikt aan de schrijver van het beste reisboek. Dit jaar waren de genomineerden Karin Anema met “De Laatste Grens”, Erdal Balci met “Vandaag geen pont”, Bette Dam met “Expeditie Uruzgan”, Peter Delpeut met “In de woestijn fiets je niet”, Minka Nijhuis met “Birma, Land van geheimen” en Linda Otter met “In Centraal Azië”.