Feyenoord, de dood of de gladiolen? (deel 2)

Gisteren besprak ik de stand van zaken betreffende de verdediging van Feyenoord. Vandaag wil ik het hebben over het middenveld.

Als we uitgaan van een 4-3-3 opstelling, dan zijn er dus 3 middenvelders per wedstrijd nodig. Wil je goed kunnen wisselen, dan zul je toch minstens 6 middenvelders moeten hebben, waarvan enkele aanvallend en enkele defensief ingesteld moeten zijn. Handig is het ook om minstens 2 controleurs te hebben, die goed zijn in het brengen van rust maar die ook kunnen strooien met slimme passes. De volgende middenvelders staan op de loonlijst:

  1. Renato Tapia (24 jaar)
  2. Leroy Fer (29 jaar)
  3. Yassin Ayoub (25 jaar)
  4. Orkun Kökcü (18 jaar)
  5. Wouter Burger (18 jaar)
  6. Jordy Wehrmann (20 jaar)
  7. Achraf el Bouchataoui (19 jaar)
  8. Jens Toornstra (30 jaar)
  9. Liam Kelly (23 jaar)

Nuchter beschouwd is dit een mager middenveld voor een club, die pretendeert tot de top te horen. Er lopen slechts drie spelers met voldoende ervaring rond, die een wedstrijd kunnen sturen. Dat zijn Fer, Toornstra en Tapia. Fer heeft in de eerste paar wedstrijden laten zien van grote waarde te kunnen worden als hij weer helemaal fit is. Lichamelijk sterk, rust aan de bal, overzicht en een goede passing. Voor mij is het onduidelijk geweest waarom Tapia altijd als minkukel is behandeld. Het is een uitmuntend voetballer met veel internationale ervaring. Weliswaar soms risicovol aan de bal, maar als Frenkie de Jong dat doet vinden we het geweldig. Maar als Tapia het doet dan is ie ineens een slechte voetballer. Hij is feitelijk de enige middenvelder bij Feyenoord met het vermogen om slimme steekballen te geven of geweldige lange ballen richting vleugel en een man die kan wegdraaien bij zijn tegenstander. Sterk ondergewaardeerd en wat die idiote Troost ooit bewogen heeft om te roepen dat hij moet verdwijnen, geeft ongeveer het verstandelijke niveau aan van de directie van deze grote club. Volgend jaar mag hij gratis weglopen dankzij het slechte management.
Kökcü is het grote talent dat diepgang heeft, kan scoren en in de kleine ruimte kan combineren. Feijenoord zal nog veel plezier aan deze jongen beleven. Van Wouter Burger ben ik minder zeker. Velen roepen dat hij het grote talent is maar ik vermoed dat dit meer gebaseerd is op het feit dat hij uit een echte Feyenoordnest komt. Burger is groot en sterk en zou in de toekomst op het middenveld kunnen heersen, maar in tegenstelling tot Kökcü heeft hij het nog niet echt laten zien.
Toornstra is een in wezen relatief beperkte voetballer met een gigantisch loopvermogen en een enorme werklust. Daardoor kan hij bij een goede passing in scoringspositie worden gebracht. Dat is zijn sterke punt. Daarnaast kan hij ook verdedigend aardig uit de voeten.
Ayoub vind ik onvoldoende voor een topclub. Past bij een goede middenmotor. Kwam gratis binnenlopen, want als hij 1 euro had moeten kosten dan stond hij nu waarschijnlijk niet in het Feyenoord shirt. Ongetwijfeld een giftig mannetje op de training, maar ik zou hem verkopen.
Liam Kelly is de nieuwe ster aan het firmament, maar tot nu heeft hij het in de oefenwedstrijden nog niet kunnen waarmaken.

Als ik mag kiezen, dan zou ik kiezen voor een middenveld met Tapia, Fer en Kökcü. Twee controlerende mensen en een diepgaande middenvelder. Tapia voor de slimme passes en de scherpe tackles om de bal weer te veroveren en Fer als alles overziende controleur. Toornstra komt onmiddellijk hierna in beeld, want voor de jonge Kökcü zullen drie wedstrijden per week ongetwijfeld nog iets te zwaar zijn. Ook Burger is een goede wisselspeler, die op die manier ervaring tussen de ‘grote’ mannen kan op doen.
Kelly is dan de 3e wisselspeler en dan kunnen Wehrmann en el Bouchataoui worden uitgeleend aan een KK club om meer ervaring op te doen.

Kortom, Feyenoord heeft op papier een redelijk middenveld met ervaring, gogme, goede passing en power. Daar hoeft niet veel aan te veranderen en op basis hiervan kan de ploeg bij de top 4 meedraaien.

Morgen verder met het verhaal, dan over de aanval.

Feyenoord, de dood of de gladiolen? (deel 1)

Deze vraag heb ik me de afgelopen maanden vele keren gesteld. Want laten we eerlijk zijn, de selectie en de resultaten waren niet echt om over naar huis te schrijven. Laat staan het vertoonde voetbalspel.
Feyenoord heeft de afgelopen jaren naar mijn mening veel foute keuzes gemaakt. Kennelijk slaagt men er in Rotterdam niet in om een verstandig financieel beleid te voeren, want jaar op jaar is er geen of onvoldoende geld om de selectie op peil te houden, laat staan te verbeteren. Ook de doorstroming van de jeugd lijkt problematisch. Laten we eens naar de selectie kijken.

Centrale verdediging
Botteghin en van der Heijden waren tot voor enkele jaren aardige verdedigers, maar zijn langzamerhand afgezakt naar een bedenkelijk niveau. Weinig snelheid, weinig wendbaarheid en opbouwend al helemaal matig. Van Beek was vroeger, in zijn echte jonge jaren, een belofte. Maar op de een of andere manier is hij niet vooruit gegaan, maar achteruit. Overigens gebeurt dat met meer spelers. Een goed centraal duo is er dus niet. De net aangetrokken Johnston moet zich nog bewijzen, maar het lijkt me stug dat hij ineens de verdediging kan opkrikken tot een aanvaardbaar niveau. Het geeft te denken dat de directie hier niet meer in heeft geïnvesteerd. Wellicht kan v.d. Heijden nog voor enkele tonnen worden verkocht aan een tweede of derde klasse elders, maar dat vergroot het probleem.

Conclusie: Het centrale verdedigingsblok voldoet op geen enkele wijze meer aan het moderne voetbal. Ziet er uit als de achilleshiel van Feyenoord.


Linker verdediging
Haps is daar de eerste keus. Een redelijk verdediger, met aardig wat snelheid maar relatief weinig overzicht. Kan goed opkomen maar zijn voorzetten zijn niet altijd even goed. Niet goed genoeg voor een echte topploeg. Zijn vervangers zijn Malacia en Verdonk. Ondanks hun jeugdig enthousiasme geen hoogvliegers. Ook bij hen ontbreekt vaak het tactisch inzicht om goed te verdedigen (verkeerd gepositioneerd, domme overtredingen maken, e.d.).

Conclusie: Kan er mee door, maar voor een echte topploeg onvoldoende.


Rechter verdediging
Ik neem aan dat Karsdorp hier de eerste keus gaat worden met Nieuwkoop als back-up. Ook Geertruida kan op deze positie spelen. Karsdorp in goede doen is een uitstekende speler op deze plek, maar qua speeltijd heeft hij vorig seizoen maar net 8 wedstrijden gespeeld en het seizoen daarvoor slechts 82 minuten. Ik schat in dat het nog wel even duurt voordat hij weer op zijn oude niveau komt, zo hij dat al gaat halen. Nieuwkoop is een goed en betrouwbaar alternatief. Doet zijn werk naar behoren en krijgt daar onvoldoende waardering voor. Het huren van Karsdorp betekent dat Feyenoord volgend seizoen op deze plek een probleem gaat krijgen. Dat probleem gaat zich ook voordoen als er te veel blessures gaan komen.

Conclusie: Het meest betrouwbare deel van de verdediging, mits Karsdorp weer op zijn oude niveau terugkeert.

Morgen de volgende aflevering van “Feyenoord: de dood of de gladiolen?”. Dan komt het middenveld aan de orde.

Out of Office – kunst die je nooit ziet

Kunst die je nooit, of beter gezegd, bijna nooit ziet. Dat zijn de collecties die de overheid en het bedrijfsleven hebben aangelegd. Hun eigen private kunstcollecties. Als werknemer heb je kans dat je ergens zo’n kunstwerk uit eigen collectie tegenkomt. Maar het grote publiek ziet daar weinig van.

Is dat slecht? Daar kun je verschillend over denken. Als je vindt dat kunst voor iedereen zichtbaar moet zijn, dan is het slecht. Maar als je bedenkt dat veel van deze kunstwerken in opdracht zijn gemaakt, dan is het een welkome aanvulling op het inkomen van kunstenaars. En krijgen zij de mogelijkheid om werken te maken.

Maar om een einde te maken aan die onzichtbaarheid heeft Singer Laren gemeend een tentoonstelling te moeten maken met werken uit bedrijfs- en overheidscollecties. En zo ontstond onder de titel Out of Office een mooie collectie van werken, die veelal niet te zien zijn (hoewel sommige werken al zo bekend zijn dat men ze wellicht wel kent).

De tentoonstelling is ingedeeld in een aantal themazalen, anders ontstaat er een soort wild-west tentoonstelling met van alles en nog wat door elkaar. Zonder een oordeel hierover te vellen laat ik hieronder een aantal werken zien, die mij aanspreken.
In de kop zie je het werk zonder titel van Erik van Lieshout. Figuren in het water, wat doen ze daar? Sommigen eten wat. Zijn het vissers, gestrande vluchtelingen? Je mag het zelf bedenken.

Als je de eerste zaal binnenloopt wordt je direct geconfronteerd met een groot werk van Folkert de Jong met als titel Shooting Lesson. Een aantal boomstammen met daarop volwassenen en kinderen. Een van die kinderen heeft een boog en de vrouw een koker met pijlen. Het geheel geeft een beetje een desolate sfeer. De wereld is pas vergaan en we moeten overleven. Een ‘Walking Dead’ plaatje.
Op de muur hangt een kleurrijk werk van Gé-Karel van der Sterren. Het lijkt geboetseerd van olieverf en acryl. Porseleinen vuilnisbelt is de veelzeggende titel, een kleurig commentaar op de huidige consumptiemaatschappij.
In de volgende zaal lopen we tegen Birds van Carel Visser aan. Een bronzen abstractie van twee vogels.

Verderop lopen we tegen een groot grondwerk aan. Het is The Nursery Piece van Job Koelewijn. Cirkelfiguren van zand op kopieën van Spinoza’s Ethica. En verdomd, als je er naar gaat kijken gaan de cirkels ineens draaien. Hersenen en ogen zorgen voor deze zinsbegoocheling. Misschien gaan je hersenen ook draaien van de Ethica. Prachtig om te ervaren. Daarnaast Down van Michael Radecker. Het lijkt alsof je van onderop tegen bomen aankijkt. Bolletjes acryl en garens op een doek zorgen voor een vreemde kijkervaring. De grote kunststof kleurvlakken van Esther Tielemans spatten van de muur af. Een complete kleurervaring. En dan twee werken van Maria Roosen, Bubbels en Bessen. Ruimtelijke vormen van waterverf op papier en glas. Rood in optima forma, warm, betoverend. Om thuis te hebben hangen.

Kunst is ook geïnspireerd raken door andere kunstenaars en daar wat mee doen. Maar stomweg na-apen is natuurlijk niet aan de orde. Dus wat moet je doen als je Picasso bewondert. Imiteren is een slecht idee, voortborduren ook. Dus dacht Tjibbe Beekman, ik schilder Atelier Picasso. Een prachtig woest kleurrijk werk, dat je van dichtbij moet bekijken. Gemaakt met gebruik van zand en email, heel bijzonder.
Ook de ballerina van Edgar Degas heeft veel kunstenaars geroerd. Folkert de Jong gaf er een nieuwe twist aan met zijn The Practive ‘Take 3’, waarin zijn ballerina op een pallet staat met doorlopende kleuren. Het doet bijna pijn.
De foto van Erwin Olaf spreekt voor zich. Het lijkt een schilderij, maar het is een totaal gecomponeerde foto. De titel is Catwalk I (The Helena Slicher Wedding Dress, 1759). Oude adel kijkt je aan met een uitdagende blik en komt tot leven in het hier en nu.
De Laocoön is een van de beroemdste beeldengroepen uit de Oud-Griekse beeldhouwkunst. Guido Geelen liet zich hierdoor inspireren en maakte een nieuwe versie van brons en bladgoud.

Annemarie Wenzel maakte van keramiek, houtskool en hout een luguber beeld van een ontplofte auto. De restanten van een aanslag, met de veelzeggende titel Heaven #1. Geweld als thema van kunst.
Daarnaast hangt het werk De oogst van Pyke Koch. Koch sympathiseerde met de Duitsers tijdens WO II en dit simpele feit roept de vraag op of Koch dan nog wel mag worden getoond. Maken foute gedachten van een kunstenaar zijn werk minder of slecht. Een discussie die tegenwoordig veelvuldig op diverse plaatsen opduikt.
Een groot werk van Robert Zandvliet, ook Zonder titel, spettert van de muur af. Woeste rode streken, klodders. Is het bloed, beeldt het geweld uit. Of is het vuur, die alles verwoestende kracht.
Dan zien we een schilderij waarop een museum is uitgebeeld. Mensen met kinderen lopen rond en aan de muur hangt een groot werk. Een vrouw in het wit met een knielende man er voor. Verdriet, uithuilen of is het aanbidding van de vrouw. Maar er hangt ook een vreemd wit object in de lucht. Is het een geest, een goede of een kwade? Of is het iets anders. Helen Verhoeven maakte dit Event One Detail #3.
Verderop een vrouw die op de grond zit en haar hoofd achterover heeft gegooid. Ze kijkt naar boven. Wat zou daar te zien zijn. Ze is roodharig, met rode lippen en grote wimpers. Wat doet ze daar, waarom zit ze zo. Vragen en nog eens vragen.
Tot slot een geweven werk van Rafaël Roozendaal. Het is een abstractie van een Google beeld en kreeg de naam Abstract Browsing 16 03 02 (Google Image). De vertaling van de digitale wereld naar een abstracte kunstvorm. Kleurige vakken van acryl draad, die voor een vrolijke noot zorgen.

De tentoonstelling is inmiddels afgesloten. Het was zeker de moeite waard om eens achter de schermen van de bedrijfscollecties te kijken, waarin een schat van kunstwerken verborgen zit.

Less Is More – terug naar vroeger?

Dat is een beetje de vraag die opdoemt bij de expositie “Less Is More” in het prachtige Museum Voorlinden. Want wij leven in een tijd voor overvloed, niets is te weinig, meer is nog niet goed genoeg. We worden overspoeld met nutteloze zaken, die we gretig tot ons nemen. Tot het punt van afstomping en niet meer zien wat er toe doet en wat niet. Als alles van belang is, dan is niets meer van belang.

De ouderen onder ons weten dat dit vroeger anders was, maar de jongeren kennen de wereld niet anders meer. Maar we zien ook een tegenbeweging. Minder consumptie, meer hergebruik, een simpele keuken, tiny houses. We zoeken het zelfs in wellness, opdat ons innerlijk weer tot rust komt.

Ook de kunst laat deze tendens zien. Hernieuwde aandacht voor stromingen als Minimal Art en Zero. Hergebruik, ordenen en reduceren zien we bij de nieuwe kunstenaars weer opdoemen.

In de eerste zaal worden we direct geconfronteerd met enkele mooie werken. Zo spatten de rode strepen van Daniel Buren’s De travers et trop grand je tegemoet. Als je even langer blijft kijken lijkt het alsof het beweegt (of misschien beweeg ik zelf wel). Als je je dan omdraait sta je ineens tegenover Membrane van Antony Gormley. Een man houdt een dun doek vast. Je staat er voor en denkt “wat verbergt die man”. En in de hoek een enorm grote panty (ja, echt), gevuld met kurkuma. Die grote panty is er met een plof neergekwakt, want de grond ligt bezaaid met de uitgewaaierde kurkuma. Oftewel Paff (turmeric) van Ernesto Neto.

Als we dan naar zaal 2 lopen vallen onmiddellijk de kommen met korrels op. Het doet denken aan rijstkommen, maar het zijn porseleinen schalen met zoetwaterparels er in. Het is een werk van Ai Wei Wei, Bowls of Pearl. Hij wil ons hiermee laten nadenken over de waarde van rijst tegenover parels. Verder valt het grote werk aan de muur op. Vierkanten met kleuren, schijnbaar zonder samenhang. Opvallend zijn de verschillend gekleurde randen, die voor een extra dimensie zorgen. Het werk heet Priceless Pearl en is van Imi Knoebel.

Zaal 3 is ook weer verbazingwekkend. Gelijk om de hoek staat de Cocktail Sculpture van Ann Veronica Janssens. Een aquarium met daarin water en paraffineolie. Twee verschillende lagen zorgen voor een vertekend beeld door de breking van het licht. Aan de muur een groot werk met hele, halve en kwart cijfers. Het is At Sea van Darren Almond. Getallen maken voor ons de wereld concreet, hoe complex ook. Doordat de cijfers zijn verknipt ontstaat er een zoektocht. Want we willen de cijfers graag compleet. Een spel met zichtbaarheid en onzichtbaarheid begint.
In het midden van de zaal liggen stenen en metalen blokken, met in het midden een zwerfkei. Door spiegels te plaatsen zie je steeds weer andere combinaties. Een verrassend werk, dat de vraag stelt naar de interactie en relatie tussen mens en natuur. Het werk is van Alicja Kwade en heet Trans-For-Men 8 (Fibonacci).
Voor het raam hangt een grote ballon, of is het een lamp? Nee, het zijn honderden zakjes water. Zoveel zakjes water samen zorgt voor een monumentaal kunstwerk. Door de belichting en de achtergrond krijgt het een verrassend effect. En stelt het vragen over vervuiling, schoon water, klimaat, verspilling.

In zaal 4, een relatief kleine zaal, slechts 2 kunstwerken. Maar ook deze weer heel bijzonder. Aan de muur hangt zonder titel van Anna Maria Maiolino. Het zijn slangen van gips die met behulp van de zwaartekracht zichzelf vorm hebben gegeven. Door de herhaling ontstaat een vlechtwerk. Na uitharding wordt het werk verticaal tegen de wand geplaatst.
In het midden ligt Continuous Mile (white) van Liza Lou. Een touw dat een mijl lang is en dat bestaat uit meer dan 4.5 miljoen witte kraaltjes. Een immens intensief werk, dat is gemaakt door een gemeenschap van Zulu vrouwen. Tijdens het maken worden verhalen verteld en het touw knoopt die verhalen aan elkaar.

Een zal verder ontmoeten we Steven Aalders met zijn werk Quartet. Een serie vierkante vlakken met een band er omheen. Wat is achtergrond, wat is voorgrond. De kleuren bepalen in je hersens hoe je dit waarneemt. Het ene springt naar voren, het andere krijgt juist diepte.
Heel bijzonder is de boom die aan de muur hangt. Een wirwar van takken met felgekleurde plastic zakjes. Gaat dat samen, plastic en natuur? Heeft de storm de zakjes de boom ingeblazen? Voor ons is het vervuiling, maar voor andere culturen hebben zakken heel andere betekenissen. Soms zit een heel leven in een zak opgesloten. Het is een vrolijk gezicht en daardoor ook wel hoopvol. Het is een werk van Pascale Marthine Tayou en het heet Plastic Tree C.

Weer een zaal verder zien we o.a. Self-portrait van Tony Cragg. Het is een silhouet van de kunstenaar, gemaakt van gevonden objecten, allemaal plastic voorwerpen. Staand op een stapel tijdschriften, lijkt het. Kleurrijk vertelt het ons iets over de maatschappij waarin we leven.
Op de grond Turbulence (black) van Mona Hatoum. Een cirkel op de grond, bestaande uit honderden zwarte glazen knikkers. Door de verschillende grootte ontstaat een golvend oppervlak, waarin het licht wordt weerkaatst en verstrooid. Als je goed kijkt zie je jezelf weerkaatst in al die glazen knikkers. Een enkele misplaatste voetstap en het kunstwerk spat uit elkaar. Een monnikenwerk om te maken.

Verder naar de volgende zaal, er komt geen eind aan. Ons oog valt onmiddellijk op Common Ground van Miroslaw Balka. Een verzameling oude deurmatten, uitgespreid op de vloer waar kinderen vrolijk over heen rennen. Dat mag en moet zelfs. Geen heiligheid voor de kunst. Een deurmat ligt voor een huis, veeg je voeten en je bent welkom om binnen te komen. Een gedeelde wereld waarin respect voor elkaar heerst. Maar je mag er dus gewoon over heen lopen.
Achrome van Piero Manzoni is weer van een heel andere orde. Een rechthoekig doek, gedoopt in kaolin, oftewel chinaklei. In het resulterende doel stikt Manzoni dan geometrische lijnen. Vervolgens wordt het doek op een donkerrode fluwelen achtergrond geplaatst. Simpelen materialen, die volgens Manzoni het unieke karakter van kunst relativeren.
En aan de andere kant twee werken van Jan Schoonhoven, R70-37 en R70-44. Reliëfs van karton, papier-maché en latexverf. Schoonhoven was een Nul-kunstenaar, zoekend naar een kunstvorm die letterlijk bij nul begint en die toegankelijk is. Door de wisselende lichtinval krijg je een steeds wisselend effect van licht en schaduw.

En daarmee waren we in de laatste zaal beland van Less Is More. Een uiterst verrassende expositie van werken uit eigen collectie. Een expositie ook die kunst relativeert, die vragen stelt over onze consumptiemaatschappij.
Nog te zien tot en met november 2019. Een absolute aanrader voor kunstliefhebbers, die niet bang zijn voor het experimentele.

Langs Herman Willem’s dreven

Gisteren was het voor het eerst weer eens aangenaam wandelweer. Reden om de schoenen weer eens aan te trekken en te gaan genieten van de warme zonnestralen.

Eerst een stukje langs de Oude Rijn en daarna langs het Rijn-Schiekanaal richting Polderpark Cronesteyn.

Langs de Oude Rijn liggen nog wat oude schepen, misschien wel te wachten op een opknapbeurt. Bij de watertoren kun je het kanaal oversteken naar de Roomburgerweg. Daar staat het mysterieuze gebouw met de naam Het Kaasmerk. Even verderop kun je nog even bellen vanuit een oude telefooncel, die in de tuin staat. Misschien is het wel een oude Tardis van de doctor (voor de kenners).

Even verderop wapperen de goudgele pluimen in de frisse voorjaarswind.Door het zonlicht krijgen ze een magische glans. Nog een stuk verder is de ingang van Polderpark Cronesteyn, waar een aantal fietsen doet vermoeden dat ik niet de eerste was die naar buiten trok. In het rimpelende water weerschijnen de witte stapelwolken. Meerkoetjes en waterhoentjes fladderen langs de kanten, op zoek naar eten.

Bij het theehuis werd ik verwelkomd door een klokkende kalkoen, fors van formaat. Wat kleine zwijntjes waren driftig met hun snoeten aan het wroeten, op zoek naar onvindbare truffels. Buiten bij het theehuis zaten al wat zonaanbidders met een kopje thee. Bij het theehuis staan verschillende kunstwerken, waaronder Izaak Zwartjes’ Basic Construction III. Met dit werk won hij in 2013 de Frans de Witprijs bij Beelden in Leiden. Het uit spoorbielzen bestaande werk doet het prima op deze plek in de natuur.

Daarna was het weer tijd om richting huis te lopen. Mooi is nog het gezicht op de huizen aan de Van den Brandelerkade, glorie uit vooroorlogse jaren. Om vervolgens in het Plantsoen, onze grote groene achtertuin, de eerste lentestrijder te zien gloriëren.

The Wife, een draak van een film

Ze bestaan nog, draken van films. Films, volgehangen met clichés, treurige verhalen met onnozele subplots, goedbedoeld acteerwerk.

The Wife is een alom geprezen film. Thematiek hedendaags, Oscar-waardig acteerwerk van vooral Glenn Close. Dat vertelden de verhalen, de kritieken mij. Kortom, een goede reden om deze film te bekijken.

Het verhaal

Joe en Joan Castleman (Jonathan Pryce en Glenn Close) zijn een ouder echtpaar, al meer dan veertig jaar bij elkaar. Hij is een beroemd schrijver met grote succesromans op zijn naam. Zij is zijn liefhebbende echtgenoot op de achtergrond. Ze hebben twee kinderen, zoon David (Max Irons) en dochter Susannah (Alex Wilton Regen).

Het is nacht in huize Castleman, waar Joe zenuwachtig wacht op een telefoontje. Hij wordt genoemd als mogelijk winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur. Trrring, trrrrring, daar gaat de telefoon en ja hoor, de Nobelprijs is aan hem toegekend.

De vreugde is groot in huize Castleman, maar aan de gezichten van Joan en zoon David zien we al dat er wat broeit.

Het gezin vertrekt met een speciale vlucht naar Stockholm voor de ceremonie. Dochter Susan blijft achter, want ze staat op het punt van bevallen.

In Stockholm aangekomen komt het echtpaar terecht in het grote circus, dat gepaard gaat met de uitreiking van zo’n prestigieuze prijs. Pers, tv, fotografen, cocktailparty’s, ontvangsten, het overspoelt het echtpaar. Joe, die we inmiddels hebben leren kennen als een narcissistisch mannetje, geniet van dit alles. Maar Joan, gepositioneerd als tweederangs vrouwtje, wordt met het uur chagrijniger. En zoon David trekt het ook al niet meer.

Er ontstaan spanningen, die tijdens het galadiner na de uitreiking van de prijs tot een hoogtepunt komen. Joan loopt daar boos van tafel en besluit om John te verlaten.

De problemen

Zoon David wil ook schrijver worden en heeft een eerste concept geschreven van zijn verhaal. Zijn moeder heeft dit gelezen en vindt het wel goed, maar zijn vader ontwijkt steeds zijn wanhopige vraag wat hij ervan vindt. Een duidelijk vader-zoon probleem. De vader is bang dat zijn zoon hem gaat overvleugelen en de zoon zoekt de erkenning van zijn beroemde vader. Waar hebben we dit vaker gezien, gehoord, gelezen. Was het niet Freud die hier al over schreef. Wat mij betreft een clichéprobleem dat niets toevoegt aan de film. Cliché een…

Dan de verhouding tussen Joe en Joan. Zij was studente in zijn klas. Zij werd verliefd op hem en hij verliet zijn gezin voor haar. Cliché twee…. Naarmate de tijd verstrijkt leren we dat Joe vele affaires heeft met jongere vrouwen. Kennelijk een probleem van beroemde hoogleraren. Cliché drie…..

Halverwege de film wist ik al waar de clou zat. Als je goed oplet, dan ligt het allemaal heel erg voor de hand. Want zij blijkt in het begin van de film een veelbelovend schrijfster, terwijl hij er maar wat op los knoeit. Guess what? Zij heeft al zijn boeken geschreven, dus eigenlijk had zij de Nobelprijs verdiend. Cliché vier…..

In de film wordt gesteld dat uitgevers niet geïnteresseerd zijn in vrouwelijke schrijvers. Doe mij maar een lekkere jonge joodse schrijver, roept een uitgever in de film. Cliché vijf….

Mijn beoordeling

Zoals al in de inleiding vermeld, hangt de film van de clichés aan elkaar. Het is voor mij dan ook onbegrijpelijk dat de film zo hoog wordt beoordeeld door de critici. Wellicht speelt hierin mee dat de achtergestelde rol van de vrouw aan de orde wordt gesteld. Dat is wel zo, maar dat wordt zo doorzichtig gedaan dat een goede discussie over deze film niet meer mogelijk is.

De getroebleerde zoon is zo over the top, dat we deze maar weg denken.

De man-vrouw verhouding komt wat mij betreft slecht uit de verf. Onze Joan heeft haar leven lang gezwoegd, heeft alle affaires van Joe geslikt en dan komt ze nu, bij de toekenning van de grote erkenning, tot de conclusie dat het wel genoeg is geweest. Rijkelijk laat voor zo’n intelligente vrouw, zou ik zeggen. Weinig overtuigend is haar gedrag.

Ook het spel van Glenn Close kon mij niet echt boeien. Ik moest voortdurend denken aan een of andere Britse vorstin met zo’n uitgestreken gezicht zonder emotie. Die kleine trekjes had ze eerder moeten hebben. Kortom, weinig geloofwaardig in deze tijd.

En gelukkig, Joe krijgt aan het eind een hartaanval en sterft. Kunnen Joan en David tevreden huiswaarts keren. Want Joan heeft weer stof voor een nieuw boek en David heeft een beetje erkenning van pappie gekregen. Maar tegelijkertijd een heel gemakkelijk einde van een film, die pretendeert een maatschappelijk probleem aan de orde te stellen. Hij is dood, mooi daar zijn we vanaf. Op naar de volgende scène.

Conclusie

Een saaie film met bordpapieren karakters. Weinig diepgang, geen karakterontwikkeling. Geen verrassingen, alleen maar voorspelbare droefheid ten top. Als de boeken van Castleman dit niveau hadden, dan had hij zeker geen Nobelprijs gewonnen.

The Wife draait momenteel in de bioscopen.

AUTO – Media Technology MSc Exhibition

Toen ik deze aankondiging las, raakte ik geïntrigeerd door de naam. Want ik begreep dat het een tentoonstelling was van Master opleiding Media Technology van de Universiteit Leiden. En ik kon me ook nog voorstellen dat de naam AUTO niet alleen van toepassing was op de ons bekende automobielen, maar een bredere strekking had. En omdat ik toch voor een andere vraag in de Old School moest zijn, kon ik mijn basisvraag in ieder geval even deponeren bij enkele jonge studenten.

Wat is Media Technology

De naam zelf doet vermoeden dat het een technologische studierichting is. Vreemd want de Leidse universiteit kent zulke opleidingen niet echt. Die verwacht je eerder in bv. Eindhoven. Maar uiteindelijk blijkt de opleiding relatief weinig met technologie te maken te hebben. En dus zijn we al op een verkeerd been gezet.

Wat is het dan wel??? De master opleiding duurt twee jaar en is fulltime. Het is dus niet een bijvak bij een andere studie.

De opleiding stimuleert studenten om de wetenschap op een speelse en creatieve manier te benaderen. Ze worden opgeleid om hun persoonlijke interessen en inspiratie te vertalen naar onderzoeksprojecten. Ongebruikelijke vragen, onconventionele onderzoeksmethoden en alternatieve vormen van wetenschappelijke output moeten, naast de geschreven wetenschappelijke artikelen, leiden tot nieuwe manieren van benaderen en denken. Dit kan worden gedaan met installaties, games en boeken (toch wel).

Het gepresenteerde project is het resultaat van een semester werk. De studenten moesten hun onderzoeksvraag presenteren binnen de context van een expositie. Aldus luidt de verklaring van de faculteit. En omdat het een Engelstalige opleiding is, staat ook alles in het Engels beschreven.

Maar wat betekent het nou eigenlijk

Als je het voorgaande hebt gelezen, dan weet je eigenlijk als buitenstaander nog helemaal niets. Een beetje gefrut in de ruimte voor studenten, die leuke dingen willen doen. Beetje creatief, beetje van dit, beetje van dat. Moderne opleiding, dat wel.

Eigenlijk is het een opleiding voor studenten, maar ook voor kunstenaars en onderzoekers. Waar je in alle vrijheid je eigen onderzoeksvragen kunt formuleren om vervolgens daarmee aan de slag te gaan. Met gebruikmaking van wetenschap en technologie. De universiteit werkt hierin samen met de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunst in Den Haag.

Goed, nu we dat weten is iets van de mist verdwenen. Maar echt grip hebben op de materie, dat is andere koek.

Dan maar naar binnen en kijken

De ultieme oplossing voor alles. Kijken en vragen. Helaas was het binnen de kleine ruimten van de Old School nogal druk, zodat er weinig terecht kwam van dit oogmerk.

Het thema van het semester was, zoals al eerder vermeld, AUTO. Dit woord kun je als voorvoegsel gebruiken voor veel begrippen, zoals autodestructie, authentiek, autocreatie, autopia (ik had er nog nooit van gehoord), autogeen en autogenese. Om maar eens wat zijpaden te noemen.

De bedoeling is dan om het thema op de breedst mogelijke manier te verkennen (sociaal, wiskundig, biologisch, enz.) om erachter te komen waar mogelijke verbindingen liggen.

Autogenese – Escape Womb

Het eerste project dat ik tegen het lijf liep had als thema Autogenese.”Escape Womb” was de naam van een soort knus huiskamertje. Ouderwetse fauteuil, tafeltje met telefoon, familieportretjes aan de muur, tapijtjes op de vloer. Wat opviel was dat praktisch alle portretjes van vrouwen waren, jong en oud. Er lagen ook een paar dagboeken. In een daarvan stonden opmerkingen over dat van babies altijd wordt gezegd, dat ze op de moeder lijken (soms, maar minder, op de vader). Terwijl dit bij babies normaliter helemaal nog niet te zien is. De vraag is waarom mensen dit soort dingen zeggen.

We denken dat we allemaal onafhankelijke individuen zijn, maar is dit ook zo. Zijn we niet ontzettend verbonden binnen onze familiebanden en veel minder zelfstandig dan we zelf denken.

Hmmm, toen ik daarover in gesprek raakte, bleek dat ik als man daar toch wat anders tegenaan keek. Maar, eerlijk is eerlijk, ik heb ook nog nooit een kind gebaard. Dus kennelijk is er in dat opzicht wel een verschil tussen mannen en vrouwen.

Autogeen – Face It

Autogeen betekent uit zichzelf gebeurend, op eigen kracht. De stelling bij dit project is dat iedereen drie gezichten heeft. Het eerste gezicht laat je aan de wereld zien, het tweede gezicht bewaar je voor je vrienden en familie en het derde gezicht laat je aan niemand zien. Dat laatste gezicht is de werkelijke reflectie van je identiteit. En is deze meest werkelijke reflectie dan ook echt van jezelf of wordt die gevormd door invloeden van buitenaf.

Ik zou kunnen zeggen dat dit derde gezicht het innerlijk van de mens is. Datgene wat we werkelijk zijn en waarvan we slechts een stukje blootgeven aan de buitenwereld.

Hier zouden we nog een hele boom over kunnen opzetten, maar dat doen we dan maar niet.

Onvoldoende tijd

Het was jammer, maar omdat de ‘exhibition’ maar twee weekeinden duurde, was er voor mij onvoldoende tijd om echt kennis te nemen van en vragen te stellen over. Maar toch werden interessante thema’s aangestipt en onderzocht. Wat het oplevert? Geen idee, en ik vermoed dat de studenten zelf ook nog met deze vraag worstelen. Hopelijk komt er een vervolg, maar dan met iets meer tijd.

Auto exhibition

Zal de toekomst ons ontwerpen?

fullsizeoutput_194aDat was het intrigerende thema van de tentoonstelling Manifestations tijdens de Dutch Design Week in Eindhoven.

Inmiddels al weer een week of acht geleden was het dus tijd om in de trein te springen met als bestemming Strijp-S, het oude fabrieksgebouw van Philips.

Vanaf het station is het even lopen, langs het PSV stadion, naar Strijp-S waar het een drukte van belang was. Veel gebouwen met allerlei manifestaties, exposities, technische nieuwigheden, nieuw design. Maar niet alleen in de gebouwen, ook buiten is er een hele strook met kunstwerken en technische vindingen.

Maar zoals gezegd had ik mijn blik gericht op Manifestations – Will the Future Design Us? Een buitengewoon intrigerende vraag, waar je even bij stil moet staan.

En wat ik daar op de 9e verdieping van het Veemgebouw aantrof, deed mijn hart opspringen van vreugde. Daar zag ik jonge kunstenaars, die zich bezig hielden met hele diverse maatschappelijke vragen. Geen pretenties tot een oplossing, maar wel op een eigen wijze vragen stellen en de kijker aan het denken zetten.

Maar allereerst zag ik allemaal jonge bezoekers rondscheuren op scootmobielen. Een leverancier van deze voertuigen stond daar met een aantal van de nieuwste modellen en deze waren buitengewoon in trek. Ik kreeg even het gevoel op de kermis bij de botsautootjes te staan. Maar eigenlijk worden de doorontwikkelde scootmobielen wel een transportmiddel van de toekomst in onze drukke binnensteden. In plaats van op een elektrische fiets kun je je ook heel goed verplaatsen met een elektrieke mobiel. We gaan het zien.

Zijde en koekjes

Daarna liep ik tegen het werk van Iris Seuren met de naam Purity of Silk. Zij constateert dat de interventie van de mens in de natuur steeds intensiever en daardoor zichtbaarder wordt. En dat bv. het natuurlijke milieu van de zijderups is weggenomen, waardoor dit beestje alleen nog in een kunstmatige omgeving kan verkeren. De zijderups wordt als het ware gedomesticeerd. Hiermee wordt de mens, volgens Iris, net zo verantwoordelijk voor de productie van zijde als de zijderups zelf. De wederzijdse afhankelijkheid wordt daardoor zichtbaar gemaakt. En zo wil Iris de mens bewust maken van zijn consumentengedrag en de consequenties hiervan.

Vervolgens liep ik tegen het project Upprinting Food van Elzelinde van Doleweerd. Zij noemt zichzelf ‘duurzaam voedsel ontwerper’. Haar afstudeerproject richtte zich op het 3D printen van eten, waarbij gebruik werd gemaakt van voedselrestanten uit de industrie. Zoals je ziet heeft ze diverse vormen en patronen geprint en ik heb het mogen proeven. Het smaakte maar Elzelinde vertelde dat ze nog meer smaak gaat toevoegen om het uiteindelijk als product te kunnen presenteren. Ik ben benieuwd of ik over een paar jaar 3D geprinte koekjes van bieten bij de AH kan kopen. Een nuttig vooruitzicht als de verspilling hiermee kan worden bestreden.

Magische futuristische kleding

Vervolgens kwam ik terecht bij een fantastisch experiment van Tim Dekkers, The Parasitic Humanity geheten. Tim ziet de mens als een parasitaire schimmel van de aarde. We hebben de aarde nodig, maar maken haar ook kapot, zegt hij. Steeds meer producten, afval en vervuiling. En de neiging om alles te willen controleren. Dat bracht hem tot dit project en de vraag of wij de schoonheid kunnen inzien van ons toedoen. Hij ging aan de slag met polyurethaan en aluin. De eerste stof een plastic, niet natuurlijk afbreekbaar en de tweede stof een natuurlijk materiaal. Hij heeft deze stoffen laten groeien en hier uiteindelijk fantastische kleding van gemaakt. Kijk vooral ook op zijn website voor meer prachtige voorbeelden.

Daarna liep ik tegen Responsive Tactility: 4D printed skins van Tessa Petrusa. Zij stelt dat naarmate de technologie meer en meer de meest intieme delen van ons leven binnendringt, het tijd wordt om opnieuw na te denken over hoe het eruit ziet en aanvoelt. De oppervlakken van technologische toepassingen kunnen zachter, responsiever en meer organisch zijn. We moeten vaak fysiek communiceren met technologie. Waarom maak je die ervaring dan niet opwindend, sensorisch, vraagt Tessa zich af.

‘Responsive Tactility: 4D Printed Skins’ zijn oppervlakken die bestaan uit integraal geprinte patronen van ‘skeletten’, ‘spieren’ en ‘gewrichten’ op gestrekte stof. Wanneer de spanning van de stof na het afdrukken wordt verwijderd, vouwt het oppervlak zichzelf op in vorm: 4D-afdrukken. De vorm en details van de oppervlakken veranderen wanneer ze worden aangeraakt, waardoor een zachte, tactiele respons ontstaat.

Wellicht kunnen haar oppervlakken verwerkt worden tot werkelijke en draagbare kleding. Ik ben benieuwd.

Aliens in da house

Jeanine Verloop vraagt zich af hoe aliens ons als mensheid zouden zien. Misschien ze we er wel magisch uit, vanuit de ruimte. Zij bouwde een mechanische sculptuur, waarbij ze werd geïnspireerd door hoe onze apparaten elkaar steeds vaker nabootsen.

Een telefoon is een kleine tablet, een tablet een kleine laptop, enzovoort. Dit zijn allemaal apparaten die we tegenkomen in ons dagelijks leven. De vraag of dit de mens arrogant maakt, samen met de technologische ontwikkelingen die steeds onzichtbaarder worden, zoals algoritmen, zijn het uitgangspunt  van Jeanine geweest. Haar verdere onderzoek sluit aan bij de historische ontwikkeling en context van drukmachines, schrijfmachines en psychose. Dit leidde tot de creatie van deze mechanische en buitenaardse structuur die prints produceert. Voorwaar een heel bijzonder apparaat dat ze nog even in werking liet zien ook.

Een achterliggende gedachte is ook dat de mens in vroeger tijden zelf zijn gereedschappen maakte en daardoor ook wist waarvoor ze dienden. Er was een band tussen mens en gereedschap. Door de enorme technologische ontwikkeling is deze band verdwenen. Door de automatisering hoeven we niet meer na te denken en worden onze hersenen zwakker. Het dromen over radicale nieuwe technologieën neemt af. De mens raakt vervreemd van het technologische landschap dat hem omringt. Kan de mens zichzelf heruitvinden en zich weer met de technologie verbinden. Of zullen de aliens de ondergang van de vervreemde mens zien met de technologie als de ultieme winnaar.

Een nieuwe wereld

We worden tegenwoordig doodgegooid met klimaattafels, met verontreiniging, met plastic in de oceaan, met bedreigde dier- of plantensoorten. Kortom, bijna een reden om een einde aan je leven te maken, want het is en blijft somberen.

Maar Manifestations – Will the Future Design Us? toont eigenlijk het tegendeel. Ik ben er van overtuigd dat slimme nieuwe oplossingen de wereld beter zullen maken, gestuwd door het soort jongeren dat ik zag op deze manifestatie.

Er was nog veel meer interessants te zien, daar tijdens de Dutch Design Week in Eindhoven. Volgend jaar maar weer gaan, om te zien welke richting het verder gaat.

De wederopstanding van Frans Hals

Lang geleden leerde ik op school over de Gouden Eeuw. Een tijdperk waarin Nederland de wereld beheerste (nou ja, bijna) en waarin we geweldige zeevaarders hadden. Nieuwe werelden werden ontdekt, handel werd volop gedreven en onze oude voorvaderen werden stinkend rijk. Later pas leerden we dat dit allemaal wel ten koste was gegaan van heel veel andere mensen.

Maar goed, in diezelfde Gouden Eeuw floreerde de kunst ook. Rembrandt en Vermeer waren de beroemdste schilders, in de architectuur waren de Key, de Keyser en Van Campen grootheden, Willem Barentsz en Abel Tasman ontdekten de wereld, Stevin en Leeghwater waren beroemde ingenieurs.

Maar ook Frans Hals was in die eeuw een vooraanstaand schilder. Maar net als bij Rembrandt keerde op een dag het tij voor Hals. Hij kreeg een slechte naam als dronkelap en zijn schilderijen verdwenen naar de zolder.

Maar vergeten werd Frans Hals niet want in de tweede helft van de 19e eeuw werd hij herontdekt en aanbeden door kunstenaars als Mamet, Singer Sargent, Liebermann en van Gogh. Haarlem werd een soort bedevaartplaats voor hen om de werken van Frans Hals te bestuderen en na te schilderen. Want van een groot schilder als Frans Hals valt veel te leren.

Frans Hals, c’est un moderne

Doordat al die beroemde schilders in de 19e eeuw naar Haarlem trokken en zelfs zo ver gingen dat zij het werk van Frans Hals kopieerden, bleek onze Frans eigenlijk een heel modern schilder te zijn. Hij was zijn tijd ver vooruit, omdat hij al duidelijk impressionistische tonen had. Dat was in zijn tijd natuurlijk niet bekend, maar later viel het des te meer op. 

Hieronder zien we bv. Malle Babbe van Frans Hals uit 1630 met daarnaast de versie van Gustave Courbet uit 1869. Opvallend is dat Courbet de initialen van Frans Hals in zijn werk schildert, terwijl het origineel ongesigneerd is.

 Een ander frappant voorbeeld is het schilderij Regentessen van het Oudemannenhuis uit 1664. Edouard Manet schilderde dat in 1872 na als oefening en John Singer Sargent maakte in 1880 van twee regentessen kopieën.

Een ander voorbeeld is het Feestmaal van de officieren van de St. Joris-schutterij uit 1627. Dit levendige werk werd in 1872 in opdracht van het Franse gouvernement gekopieerd door Francois Vollon. Bijna identiek. John Singer Sargent kopieerde in 1880 een onderdeel, te weten vaandeldrager Jacob Schout, die rechtsboven in het werk van Hals staat. Singer Sargent hanteerde hierbij een nog lossere penseelstreek dan Hals.

De tentoonstelling in het Frans Hals Museum laat nog meer voorbeelden zien. Een prachtige manier om te zien hoe latere kunstenaars zich laten beïnvloeden door een oude meester. Andere grootheden als Vincent van Gogh, Max Liebermann en Claude Monet bestudeerden Frans Hals. Ook hiervan zijn beelden te zien.

Daarom is deze tentoonstelling een aanrader voor elke schilder, groot of klein, om de studies van de latere schilders te vergelijken met het origineel. Tot en met 24 februari 2019 nog te zien in het Frans Hals Museum in Haarlem.

Het land achter de mergelgrotten

Ruim een maand waren eega en ik in het land achter de mergelgrotten, oftewel Belgisch Limburg. Om precies te zijn, we verbleven in Kanne. Vlak achter Maastricht, maar net in Belgenland. De reden was dat ik dat ik dat weekend verslag moest doen van de voetbalwedstrijd SV Meerssen – Alphense Boys. Een goede reden dus om een paar dagen eerder naar het zuiden af te reizen.

Tot Eindhoven volgden we de gewone NL autoweg, maar vanaf dat punt besloten we om een alternatieve route te volgen door de Belgische Kempen. Een mooi glooiend natuurgebied met her en der de beroemde Belgische hobbelwegen. Af en toe onverwacht druk verkeer, vooral vrachtwagens, en soms bijna geheel verlaten wegen. Het laatste stuk, door de gemeente Lanaken, was ook typisch Belgisch. Een drukke vierbaansweg dwars door de bebouwde kom. Moet kunnen, zouden de Belgen zeggen.
Aangekomen in het kleine dorpje Kanne bleek ons hotel Limburgia een rustiek hotel, gerund door een familie (man, vrouw, oma). Een snel rondje door het dorp leerde dat er een mooie patisserie zat en een paar echte dorpscafé’s. Na ons rondje gingen we voor een koffie en een alcoholvrij biertje zitten bij “Kanne & Kruike”. Wat opviel was dat er vooral oudere mensen zaten, wat de vraag opriep of dit typisch Belgisch is of dat alle jongeren inmiddels uit het dorp verdwenen waren. Een prettig café zonder luide muziek, waar je bij het biertje uiteraard een bakske met pinda’s krijgt.
Daarna voor het diner naar het hotel, waar een eenvoudige doch voedzame maaltijd werd geserveerd. Carpaccio vooraf, steak van de lende met grotchampignons (jawel…) als hoofdgerecht en koffie toe. Waarna het tijd was voor een verkwikkende slaap.
Na een eenvoudig doch stevig ontbijt werden de wandelschoenen aangetrokken en begaven we ons op pad voor een verkenning van de omgeving. Rust alom, veel groen, een snel stromend beekje (de Jeker), veel groene heuvels en gelegen aan het Albertkanaal, de verbinding tussen Luik en Antwerpen. En niet te vergeten de St. Pietersberg en chateau Neercanne. Een prachtig wandelgebied, waar je in alle rust kunt wandelen door bos en weide, langs grotten, vergane glorie, kapellekes met Mariabeelden en waar je bijna niemand tegenkomt.

Na de wandeling was het aan het eind van de middag tijd om af te reizen naar Maastricht. Daar hadden we voor een diner gereserveerd bij Brasserie Keizer, vlak naast de basiliek van St. Servaas. Een hele prettige eigenaar, waar ik een leuk gesprek mee heb gevoerd over een bepaald schilderij en over hoe hij in Maastricht verzeild is geraakt na een lang verblijf in Frankrijk.  De inrichting van de brasserie is vriendelijk met veel kunst aan de muur en het eten was prima-de-luxe. Een vitello tonnato vooraf, de vis van de dag was heilbot en een crème brûlee als afsluiter. Waarna we via een avondlijk genoeglijk Maastricht terugkeerden in het knusse Kanne.

Na deze dag was het tijd om weer eens op te stappen. Het voetbal in Meerssen lonkte. Natuurljk kwamen we te vroeg aan in het dorpje aan de Geul, maar in een echt Limburgs tentje, De Zeute Inval, smaakte de koffie buitengewoon. Met naast de koffie een advocaatje met slagroom en een bonbon. Wat wil een mens nog meer. In Limburg weten ze wat genieten is. Daar hoef je in de Randstad niet om te komen.

En na de wedstrijd weer tweeëneenhalf uur karren om thuis te komen. Maar al met al een mooi weekendje in het fraaie Limburgse land.

fullsizeoutput_18e3

vanuit het altijd mooie Leiden

%d bloggers liken dit: